Incassoprocesrecht: rechtsgrondslag, grieven en devolutieve werking

Incassoprocesrecht: rechtsgrondslag, grieven en devolutieve werking

Uit een appeluitspraak uit april 2025 van het Hof Amsterdam[1] kan mijns inziens afgeleid worden hoe een verkeerde toepassing van het grievenstelsel in het voordeel werkt van het  appellerende incassobureau, met als gevolg dat deze goed verdiende aan een opdracht.

In de uitspraak is sprake van twee partijen waarvan ieder afzonderlijk een beroep deed op het incassobureau, voor ieders eigen vorderding op dezelfde debiteur. Het gaat daarbij niet meer om het buitengerechtelijke incassotraject maar om de gang naar de rechter. In dat geval kan er niet meer ‘no cure-no pay’ gewerkt worden, en moet er afgerekend worden via een uurtarief of een vast bedrag dat kostendekkend is. Voor beide partijen gold dat de vordering ongeveer 1000 euro is[2].  

Het incassobureau stuurde aanvankelijk een overzicht van de te maken kosten waarbij de griffiekosten al hoger werden opgegeven dan de werkelijke griffiekosten en welke griffiekosten, zo zou nadien blijken, mèt BTW werden gefactureerd aan de opdrachtgevers[3].

Van groot belang in deze zaak is het vrijwel ondergesneeuwde feit dat het om een voorschotnota ging en er een eindafrekening volgde die aanzienlijk hoger was[4].  Want, voilà, de eindafrekening bedroeg een vergelijkbaar bedrag als de te innen hoofdsom, ca. 1000 euro. Dat stak wel erg scherp af tegen zowel de geschatte kosten als tegen die kosten/baten-afweging.

De twee partijen startten samen een procedure op bij de kantonrechter en vorderden onder andere de, aan het incassobureau, betaalde bedragen terug uit hoofde van onverschuldigde betaling.

De kantonrechter ging daarin niet mee (er was geen sprake van onverschuldigde betaling) en keek naar de – door het incassobureau daadwerkelijk gemaakte – kosten (zoals het hebben ingeschakeld van een deurwaarder), en komt op basis van die beoordeling tot het oordeel dat het incassobureau aan partijen het één en ander moest terugbetalen.

Het incassobureau ging in hoger beroep want het meende niets te hoeven terug te betalen. En toen ….   

Toen zou men verwachten dat de geïntimeerde partijen de krachten zouden bundelen en de grondslag zouden wijzigen (naar wanprestatie en/of OD), zouden grieven tegen de eindafrekening als zijnde deel van de opdracht, zouden grieven tegen de omvang van eindafrekening als zijnde de daadwerkelijk gemaakte kosten, zouden grieven tegen de wijze van doorbelasten.

Maar helaas: er werd niet gegriefd tegen (onder andere) de omvang van de beweerdelijk gemaakte kosten, noch tegen het feit dat dezen wel erg afweken van de begrote kosten. Er werd weinig tot niets gemotiveerd betwist, het verweer was onvoldoende onderbouwd en toegelicht.

Dat had wel gemoeten want in hoger beroep geldt de twee-conclusie-regel, de concentratie van verweer en de devolutieve werking. Word je gedagvaard in appel en denk je: mij kan niets gebeuren want ik heb in eerste aanleg al gewonnen, dus ik beperk me tot wat ontkenningen, dan ga je echt onderuit. Je zult al je stellingen weer opnieuw, al is het minimaal, moeten toelichten, waar nodig bijstellen, en doelgericht op de grieven moeten ingaan.

Het hof vernietigde de uitspraak in eerste aanleg nu de eindafrekening geacht werd te zijn overeengekomen bij de opdracht (de begrote kosten waren slechts een voorschotnota), en bij gebreke van grieven daartegen en betwisting ervan, en behoudens nog enkele correcties op de te betalen bedragen (niet erg spannend), mocht deze eindafrekening geacht worden die daadwerkelijk gemaakte kosten te omvatten.

Of het ook daadwerkelijk nodig was om die kosten te maken, en of die deel uitmaakten van de opdracht, en of die vervolgens in redelijkheid in rekening gebracht hadden mogen worden, zijn vragen die onbeantwoord blijven. Het grievenstelsel belet de rechter om daarbuiten te treden. Het creatieve en soepele opereren binnen menig kantongerecht is echt een andere wereld dan die der hoven.

Kortom: een begroting van de kosten kan als een voorschotnota gelden, en de eindafrekening kan vervolgens de daadwerkelijk gemaakte (doorbelaste) kosten omvatten, echter, of dit alles deel uitmaakte van de opdracht en of deze kosten zijn toe te rekenen aan de opdrachtgever, en of de omvang ervan correct is, zijn mijns inziens relevantere vragen dan de kwalificatie ‘daadwerkelijk gemaakte kosten’ enkel en alleen omdat dit zo in een overzicht werd toegezonden. 

Hier gold: bezint voor uw begint, zowel wat betreft het onvoldoende geïnformeerd inschakelen van het incassobureau, als ook het (te) lichtvaardig verweer voeren in hoger.  


[1] Hof A’dam 08-04-2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:953

[2] Dit blijkt ut de verstekvonnissen uit die twee procedures

[3] Griffierecht is vrijgesteld van BTW en is geen, door het incassobureau verleende dienst, en zou enkel moeten worden doorbelast zonder BTW.

[4] Dit blijkt pas bij de dragende overwegingen waarin naar de uitspraak in eerste aanleg wordt verwezen, niet uit het overzicht van de feiten zelf.

Sharing is caring!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *