Rechtmatig en onrechtmatig: de ene z’n procesrechtelijke dood….
Kan één gebeurtenis nu leiden tot zowel een onrechtmatige daad als een rechtmatige daad? Het lijkt onmogelijk: ofwel je moet betalen omdat je iets verwijtbaars hebt gedaan, ofwel daarvan was juist geen sprake. Toch kan het samengaan.
Stel: X spant een procedure tegen je aan, en X wint. X executeert het vonnis want waant zich onoverwinnelijk de winnaar. Jij betaalt, je moet wel. Je gaat in hoger beroep en je wint in hoger beroep; het winnend vonnis voor X wordt vernietigd. Die enkele vernietiging leidt dan tot een rechtmatige daad en tot een onrechtmatige daad. Het is een beetje zoiets als: de ene z’n (formeelrechtelijke) procesrechtelijke dood is de ander z’n (materieel rechtelijke) vorderingsrechtelijke brood.
Wat gebeurt er? De vernietiging van een vonnis in eerste aanleg leidt ertoe dat de gedaagde – achteraf bezien – aan de eiser heeft betaald zonder grondslag. Hij mag het dus terugvorderen als zijnde onverschuldigd betaald. Hem komt dus een vordering toe die gegrond is op een zogenaamde rechtmatige daad, de onverschuldigde betaling. Echter, de winnaar in eerste aanleg, bijvoorbeeld in dit voorbeeld eiser X, heeft -zo is achteraf gebleken – te snel gehandeld door dat vonnis al ten uitvoer te leggen, hetgeen nú – met het appelarrest in de hand – onrechtmatig is gebleken te zijn, een onrechtmatige daad dus.
Mijns inziens is het lood om oud ijzer of de gedaagde nu het betaalde bedrag terugvordert als zijnde de vergoeding van de schade, dan wel of de gedaagde datzelfde bedrag terugvordert uit hoofde van onverschuldigde betaling.
Zowel de schadevergoedingsvordering als de terugbetalingsvordering worden per datum van de toenmalige betaling direct vermeerderd met de schade die gekoppeld is aan de betaling van een geldsom namelijk: met de wettelijke rente. En die rente gaat al meteen lopen vanaf de dag van het hebben betaald conform het vonnis uitgerekend omdat er sprake is gebleken te zijn van een onrechtmatige daad (art. 6:83, sub b BW). Er is daarvoor dus geen aanzegging nodig, geen ingebrekestelling, geen 14-dagen-brief, niets.
De in hoger beroep winnende partij heeft dus een vordering uit onverschuldigde betaling vermeerderd met een schadevergoedingsvordering betreffende de betaling van een geldsom (de terugbetaling ex art. 6:203 BW jo. art. 6:119 BW) dan wel als onderdeel van de totale schadevergoedingsvordering ex art. 6:162 BW, en dus steeds vermeerderd met de wettelijke rente.
Zuur kan dit zijn wanneer een appeluitspraak lang op zich laat wachten, zoetzuur is wellicht de troost dat het hier om de gewone wettelijke rente gaat, niet de handelsrente.