Verstek en verzet (blog 1): ambtshalve toepassen betekent niet achteroverleunen

Verstek en verzet (blog 1): ambtshalve toepassen betekent niet achteroverleunen

 De buitenkant en de binnenkant van de ambtshalve toepassing

Van terminologie als verstek, zuiveren en verzet, met daarbij het verstekvonnis en verzetvonnis wordt vaak gebruik gemaakt om cliënten gerust te stellen wanneer de dagvaarding pas na weken uit de brievenbus wordt gehaald. Het idee bij menig gedaagde is nog steeds dat het dichthouden van de voordeur voor de deurwaarder de beste conclusie van antwoord is. Helaas. Zo werkt het niet.

De rechter wijst een vonnis, de eiser wint want gedaagde verscheen niet, en eiser wil dit verstekvonnis ten uitvoer gaan leggen. Tot de veroordeelde gedaagde begint door te dringen dat die gesloten envelop toch opengemaakt had moeten worden, en via zijn advocaat stelt  hij verzet in. Er volgt nu een echte conclusie van antwoord die qua lay-out in het jasje van een dagvaarding is gestoken, om de zaak weer op de rails te krijgen, de verzetdagvaarding.

Is de zaak hiermee automatisch gered? Antwoord: nee. De in de verstekzaak winnende eiser wordt via de regels van openbare orde, ambtshalve toe te passen door de rechter, nog steeds beschermd tegen fouten van de aanvankelijke gedaagde. Maar, zo zal dadelijk blijken, deze bescherming vereist oplettendheid en medewerking van de eiser. 

Waar moet een rechter ambtshalve op letten? Op, zo omschrijf ik het maar even, ‘buitenkant-zaken’ en ‘binnenkant-zaken van de procedure. Buitenkant-zaken betreffen het onderzoek naar de procespartijen: wie ging in verzet, en wie niet? Wie wilde er een verstekvonnis en wie niet? Gaat het om een deelbare rechtsverhouding? Heeft alles te lang geduurd (verval van instantie)? Een rechter kan dit op basis van de stukken al goed beoordelen.

Binnenkant-zaken gaan bijvoorbeeld over het toetsen of het verzet wel binnen je juiste termijn is ingesteld,  immers: De termijnen voor het aanwenden van rechtsmiddelen zijn van openbare orde (vaste hurisprudentie). Zo moet verzet in de normale gevallen gedaan worden binnen 4 weken nadat -bijvoorbeeld – het verstekvonnis ten uitvoer is gelegd (art. 143, lid 3 Rv). En dat betekent: zodra de gedaagde aan eiser het bedrag heeft voldaan conform verstekvonnis, of zodra zijn verzekeraar dat voor hem deed, of een andere BV binnen zijn concern, er ten uitvoer is gelegd.

Wanneer het verzet dan ná 4 weken is ingesteld, maar – en daar gaat het me nu om, sprekend vanuit de praktijk – de aanvankelijke eiser doet daarvan geen melding, die laat niet weten dat er al ruim 4 weken geleden was betaald door gedaagde, dan kan de rechter ook niet ambtshalve toetsen of de termijn is nageleefd. En bij gebreke van dit verweer in verzet, wordt daaraan voorbij gegaan. Dan prevaleert uiteraard art. 24 Rv, namelijk dat de rechter alleen zaken kan onderzoeken wanneer partijen dat inbrengen. En de aanvankelijke eiser, nu ‘ gedaagde in oppositie, moet daar dan ook direct  mee komen zodra de zaak weer wordt hervat, en niet pas nadat er aktes zijn gewisseld en de zaak weer voor uitspraak staat (art. 128, lid 3 Rv.). Kortom: ook met een verstekvonnis in de zak, blijft direct oplettendheid geboden bij een ingesteld verzet. 

Sharing is caring!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *